De drie-eenheid

19 februari 2021

‘Luister, Israël! De Heer, onze God, de Heer is één!’ (Deuteronomium 6:4). Zowel het jodendom van het Oude Testament als het christendom van het Nieuwe Testament benadrukt het monotheïsme (één God), als het tegenovergestelde van polytheïsme (meerdere goden) of atheïsme (geen god of goden). Alleen het christendom erkent de goddelijke drie-eenheid, het eeuwig samenleven van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in het innerlijke persoonlijke leven van de Godheid.

De aard van God wordt in het eerste hoofdstuk van de Bijbel geopenbaard, doordat een meervoudig voornaamwoord wordt gebruikt. ‘En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis’ (Genesis 1:26). De leer van de drie-eenheid werd zichtbaar in de doop, die Christus zelf ingesteld heeft. ‘Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen’ (Mattheüs 28:19). De brieven onderwijzen duidelijk de drievoudige uitdrukking van de Godheid, en verenigt ze alle drie als bewerkers van onze redding en heiliging. Merk op hoe Paulus de gelovige verenigt met de Vader, Zoon en Heilige Geest in Romeinen 8:9: ‘Maar u bent niet in het vlees, maar in de Geest, wanneer althans de Geest van God in u woont. Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die is niet van Hem.’

Hoewel de Vader, Zoon en Heilige Geest in eenheid werken, vloeit alles voort vanuit de Vader. Jezus zei dat Hij van Zichzelf niets kon doen (Johannes 5:30; Johannes 8:42). Hij leefde een leven dat een voorbeeld was van compleet afhankelijk zijn van de Vader (Johannes 17:7). Op deze manier liet Hij een voorbeeld achter zodat we in Zijn voetsporen kunnen volgen (1 Petrus 2:21), want ook wij zijn geroepen om in afhankelijkheid van God te leven. Evenzo komt ook de Heilige Geest van de Vader (Johannes 15:36), en ‘Hij zal niet vanuit Zichzelf spreken’ (Johannes 16:13). Als we de Vader naderen, dan doen we dit in de naam van de Heer Jezus Christus en geleid door de Heilige Geest. De offerdood en de opstanding van Jezus Christus is de enige basis waarop we onze Hemelse Vader kunnen naderen en het is het unieke werk van de Heilige Geest om met onze geest te getuigen dat wij kinderen van God zijn (Romeinen 8:16), en ons in alle waarheid te leiden (Johannes 16:13).

Na Pinksteren bracht de boodschap van Petrus het volbrachte werk van Christus en de uitstorting van de Heilige Geest samen in één goddelijke eenheid. Het geven van de Heilige Geest is het bewijs dat Jezus verhoogd is aan de rechterhand van de Hemelse Vader. Tijdens de drie jaar durende openbare bediening van Jezus was de Heilige Geest er nog niet ‘omdat Jezus nog niet verheerlijkt was’ (Johannes 7:39). ‘Laat dan heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem tot een Heer en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruisigd hebt’ (Handelingen 2:36). Heer wordt gebruikt voor Jezus in Judas vers 4 en voor God in Judas vers 5.

De geloofsbelijdenis van Athanasius zegt: ‘We aanbidden één God in de drie-eenheid en de drie-eenheid in de eenheid, zonder de Personen te vermengen of het Wezen te delen. Want de Persoon van de Vader, die van de Zoon en die van de Heilige Geest zijn ieder een andere Persoon. Maar één is de Godheid van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, gelijk is hun heerlijkheid en gelijk van eeuwigheid hun majesteit.