De goddelijkheid van Christus

22 februari 2021

De bewering dat Jezus de beloofde Messias was en de eeuwige Zoon van God maakte de Joodse leiders in die tijd razend (Johannes 5:18) en leidde ertoe dat ze Jezus beschuldigden van godslastering (Johannes 10:33). Nu benadrukte Paulus, de volmaakte Jood, zorgvuldig de goddelijkheid van Christus in Filippenzen 2:6-7: ‘Die, terwijl Hij in de gestalte van God was, het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn, maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden’.

Het sleutelwoord is ‘gestalte’ (morphe), wat meestal wordt vertaald met natuur of vorm. Het legt de nadruk op de innerlijke essentie of werkelijkheid van datgene waarmee het wordt geassocieerd. Jezus beschouwde het niet als roof om aan God gelijk te zijn (v.6). Met andere woorden, Jezus hoefde niet te streven om God te zijn of zelfs te zijn als Hij, omdat Hij God was en is. Vrijwillig deed Hij afstand van Zijn onafhankelijke gebruik van Zijn eigen goddelijke eigenschappen. Toen de duivel Jezus verleidde om de stenen in brood te veranderen om Zichzelf van de hongerdood te redden, antwoordde Hij simpelweg: ‘De mens zal niet van brood alleen leven, maar van elk woord dat uit de mond van God komt’ (Mattheüs 4:4). De duivel wilde dat Jezus Zijn eigen goddelijke kenmerken eigenschappen onafhankelijk van de Vader gebruikte, om Zichzelf te redden. Hij had tienduizend engelen kunnen roepen om Hem te redden op het kruis, maar dat deed Hij niet, omdat Hij kwam om de wil van Zijn Vader te doen.

Jezus heeft zichzelf ontledigd door de gestalte (morphe) van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden (v.7). Jezus gaf al Zijn goddelijkheid op. Hij ontkleedde Zichzelf van Zijn eigenbelang, maar niet van Zijn goddelijkheid. Jezus verootmoedigde Zichzelf en kleedde Zich met de aard van de mens. Hij was echt God en ook echt mens. ‘Gelijk aan’ betekent vergelijkbaar, maar anders. Hij verschilde van de rest van de mensheid omdat Hij zonder zonde was. Zijn zelfopoffering was noodzakelijk om een authentieke menselijke ervaring te hebben, met geografische locatie, menselijke ontwikkeling in lichaam en geest, en de behoefte aan voedsel en slaap. Hij moest volledig afhankelijk zijn van de Hemelse Vader.

De zin ‘in gedaante als een mens bevonden’ (v.8) verwijst naar een tijdelijke en uiterlijke verschijning in tegelstelling tot ‘gestalte’, wat een permanente, eeuwige kwaliteit betekent. De vernedering van Jezus omvatte niet alleen Zijn geboorte, maar ook Zijn dood, de ergste dood die er bestond, dood door het kruis. Martin Luther zei: ‘Het mysterie van het mens-zijn van Christus, dat Hij in de gedaante als een mens kwam, gaat alle menselijke begrip te boven.’ Hij verliet Zijn verheven positie om te zijn zoals wij, om voor ons te sterven.

Sint Ireneüs, een vroege kerkvader, schreef: ‘Het Woord van God, Jezus Christus, is door zijn grote liefde voor de mensheid geworden wat wij zijn om ons te maken tot wat Hijzelf is’. Zijn leven was de belichaming van nederig onderwerpen, leidend tot dood en verhoging. ‘Daarom heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem een Naam geschonken boven alle naam, opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader’ (Filippenzen 2:9-11).