Recente overdenkingen

25 oktober 2021

De grote opdracht

24 juli 2021

Jezus had de Sadduceeën de mond gesnoerd, toen ze Hem vroegen over de opstanding, waar zij niet in geloofden (Mattheüs 22:23-33). Toen ze dit hoorden, wilde de Farizeeërs Jezus testen. ‘En een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem te verzoeken: Meester, wat is het grote gebod in de wet?’ (v36). ‘Jezus zei tegen hem: U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, hieraan gelijk is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten’ (v37-40).

Ze vroegen Jezus niet naar het tweede grote gebod, maar Hij gaf het ze toch. Deze twee geboden omvatten de hele bedoeling van Gods woord. We moeten God met ons hele wezen liefhebben. Het tweede gebod vloeit automatisch voort uit het eerste. Als we God met ons hele wezen liefhebben, dan zouden we van onze naasten houden zoals van onszelf. De Farizeeërs wisten dat Jezus gelijk had maar ze worstelden met het tweede gedeelte en vroegen Jezus: ‘Wie is mijn naaste?’ (Lukas 10:29). Jezus antwoordde door ze de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan te vertellen (zie Lukas 10:30-37). De Samaritanen waren buitenlanders; ze werden gehaat door de Joden, maar in de gelijkenis blijkt de Samaritaan vanwege zijn daden juist de goede buur te zijn.

Onze naaste liefhebben heeft geen nationale grenzen en houdt geen rekening met religie e.d. ‘Als iemand zou zeggen: Ik heb God lief, en hij zou zijn broeder haten, dan is hij een leugenaar. Want wie zijn broeder, die hij ziet, niet liefheeft, hoe kan hij God liefhebben, Die hij niet gezien heeft? En dit gebod hebben wij van Hem, dat wie God liefheeft, ook zijn broeder moet liefhebben’ (1 Johannes 4:20-21). Onze relatie met God is onlosmakelijk verbonden met onze relaties met anderen. In de Bergrede zei Jezus: ‘U hebt gehoord dat er gezegd is: U moet uw naaste liefhebben en uw vijand moet u haten. Maar ik zeg u: Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken, doe goed aan hen die u haten; en bid voor hen die u beledigen en u vervolgen; zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is’ (Mattheüs 5:43-45).

Jezus zei: ‘Alles dan wat u wilt dat de mensen u doen, doet u hun ook zo, want dat is de Wet en de Profeten’ (Mattheüs 7:12). In die tijd hadden de Joden de gouden regel juist omgedraaid: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Het was een wet van vergelding. De gouden regel is gebaseerd op de wet van genade. ‘Maar heb uw vijanden lief en doe goed, en leen zonder te hopen iets terug te krijgen. Dan zal uw loon groot zijn en zult u kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en slechten. Wees dan barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is’ (Lukas 6:35-36). We moeten met anderen omgaan zoals Christus met ons omgaat. In de kern betekent dat: toon barmhartigheid door mensen niet te geven wat ze verdienen. Maar het gaat nog verder. We geven mensen wat ze niet verdienen; dat is genade en van hen houden.