Recente overdenkingen

25 oktober 2021

Leven onder autoriteit

21 juli 2021

Onder het oude verbond wilde God Zijn volk in het beloofde land vestigen. De Mozaïsche wet was zowel burgerlijk als ceremonieel. De profeet, priester en koning representeerden zo’n beetje de wetgevende, gerechtelijke en uitvoerende tak van de regering zoals we dat tegenwoordig in veel landen kennen. Elke tak had bepaalde beperkingen zodat het geheel in balans was. De koning kon zijn uitvoerende macht niet gebruiken voor persoonlijk gewin (Deuteronomium 17:14-20). De priesters kregen geen deel van het land toegewezen en vermeden zo elke mogelijke belangenverstrengeling (Deuteronomium 18:1-8). De profeten mochten geen aanmatigende taal gebruiken (Deuteronomium 18:20-22). Het systeem stortte in elkaar toen Salomo al zijn beperkingen schond (vergelijk 1 Koningen 10:14-11:8 met Deuteronomium 17:14-20).

Onder het nieuwe verbond hebben christenen een dubbel burgerschap. ‘Ons burgerschap is echter in de hemelen’ (Filippenzen 3:20) vanwege onze nieuwe geboorte in Christus. Ten tweede hebben we een burgerschap in ons land vanwege onze natuurlijke geboorte of naturalisatieproces. Het woord van God leidt de kerk, maar de staat heeft haar eigen grondwet. Hoe moeten we deze twee regerende autoriteiten zien? De apostel Paulus zei: ‘Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over hem gesteld zijn, want er is geen gezag dan van God, en de gezagsdragers die er zijn, zijn door God ingesteld’ (Romeinen 13:1). De voornaamste reden waarom we ons aan hogere autoriteiten moeten onderwerpen, is omdat er ‘geen gezag is dan van God, en de gezagsdragers die er zijn, zijn door Hem ingesteld’. Als we tegen welke hogere autoriteit dan ook in opstand komen, rebelleren we tegen God (v3) en roepen we burgerlijke en/of goddelijke veroordeling over onszelf af.

De kerk als geheel wordt nooit opgedragen om de verantwoordelijkheid op zich te nemen om de staat te besturen. De kerk is het geweten van de staat. Individuele leden van de kerk zijn staatsburgers die misschien worden geroepen een burgerplicht (of dienstplicht) te doen. Civiele autoriteiten zijn Gods dienaars, instrumenten van rechtvaardigheid in het land (v4). Als de regering haar macht correct uitoefent, is er geen tirannie, is er sociale orde en wordt er recht gesproken. Als we ons onderwerpen en een rechtvaardig leven leiden, hoeven we de bestuurders van de staat niet te vrezen (v3-4). De kerk zou nooit in oppositie moeten zijn met een andere autoriteit die God heeft gevestigd. We worden aangespoord om te bidden voor ‘koningen en allen die hooggeplaatst zijn, opdat wij een rustig en stil leven zullen leiden, in alle godsvrucht en waardigheid’ (1 Timotheüs 2:2). In dat te doen vermijden we niet alleen straf maar doen we ook ons geweten geen geweld aan.

Net zoals dat de priesters het nodig hadden om ondersteund te worden door de offers van de mensen (Deuteronomium 18:2), zo is dat ook met ‘dienaars van God, die juist daarmee voortdurend bezig zijn’ (Romeinen 13:6). Daarom betalen burgers hun belastingen. Paulus spoort ons aan om te geven ‘aan allen wat u verschuldigd bent: belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eer aan wie eer toekomst’ (v7). Dat wij belasting betalen, is geen vrijwilligersdaad; we zijn verplicht om belasting te betalen en we zijn verplicht om de regerende mensen te respecteren. Geen land overleeft anarchie en geen bestuurder kan effectief zijn als de onderdanen geen respect hebben voor de positie van degenen die in autoriteit over hen geplaatst zijn.