Redding in de verleden tijd, tegenwoordige tijd en in de toekomende tijd

19 januari 2021

De apostel Paulus geeft een belangrijke aansporing aan de gemeente in Filippenzen 2:12-13: ‘Daarom, mijn geliefden, zoals u altijd gehoorzaam geweest bent, niet alleen zoals in mijn aanwezigheid, maar nu veelmeer in mijn afwezigheid, werk aan uw eigen zaligheid met vrees en beven, want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.’ Er is een belangrijk verschil tussen werken voor onze redding, wat we niet kunnen, en uitwerken van onze redding, wat we moeten doen als we onze roeping willen vervullen.

Veel evangelische Christenen zijn zich er niet bewust van dat gered worden, zoals toegepast op de gelovige, in de Bijbel wordt gepresenteerd in de verleden tijd, tegenwoordige tijd en toekomende tijd. Met andere woorden, de Bijbel leert dat we gered zijn (Efeze 2:4,5,8; Titus 3:4-5), dat we op dit moment worden gered (1 Korinthe 1:18; 2 Korinthe 2:15) en op een dag volledig zullen worden of zijn gered (Romeinen 5:9-10; Romeinen 13:11). Geen Christen kan deze redding in zijn totaliteit ervaren, totdat hij weg is uit zijn fysieke lichaam en gekleed in het opgestane lichaam in de aanwezigheid van God. We hebben onze redding van de ‘komende toorn’ (1 Thessalonicenzen 1:10) nog niet werkelijkheid zien worden, maar we hebben de zekerheid dat wanneer die toorn komt, we ervan gered zullen worden. ‘In Hem bent u ook, toen u tot geloof kwam, verzegeld met de Heilige Geest van de belofte, Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verlossing die ons ten deel viel, tot lof van Zijn heerlijkheid’ (Efeze 1:13-14). Hoewel we momenteel onze redding uitwerken, hebben we de verzekering van een volledige redding in de toekomst. ‘Verzegeld met het onderpand’ is een krachtige garantie van God. Ondertussen werken we onze redding uit terwijl we meer en meer gelijkvormig worden aan het beeld van God, zoals theoloog Charles Hodge uitlegde in ‘The Way of Life‘ (Paulist Press, 1987, P.217-218):

De staat van redding is een staat van heiligheid. Deze twee dingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden omdat redding niet alleen een verlossing is van de straf van de zonde, maar bevrijding van haar macht. Het is vrijheid van slavernij aan de begeerte van het lichaam en kwaadaardige verlangens…; het is een inleiding in de gunst van en gemeenschap met God, het herstel van het beeld van God voor de ziel, zodat het van God houdt en zich verheugt om Hem te dienen. Daarom begint redding altijd al op aarde.