Recente overdenkingen

Wie je echt bent in Christus

27 februari 2021

In Christus ben je:

  • het zout van de aarde (Mattheüs 5:13);
  • het licht van de wereld (Mattheüs 5:14);
  • een kind van God (Johannes 1:12);
  • een deel van de ware wijnstok, een kanaal van het leven van Christus (Johannes 15:1,5);
  • een vriend van Christus (Johannes 15:15);
  • uitgekozen en aangewezen om vrucht te dragen (Johannes 15:16);
  • dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid (Romeinen 6:18);
  • aan God dienstbaar gemaakt (Romeinen 6:22);
  • een kind van God; je hebt de Geest van aanneming ontvangen, door Wie je zegt: Abba, Vader (Romeinen 8:14,15);
  • een erfgenaam van God en mede-erfgenamen van Christus (Romeinen 8:17);
  • een tempel van God. Gekocht en betaald, Gods eigendom (1 Korinthe 3:16; 1 Korinthe 6:19);
  • verenigd met de Heer en één geest met Hem (1 Korinthe 6:17);
  • een deel van het lichaam van Christus (1 Korinthe 12:27, Efeze 5:30);
  • een nieuwe schepping in Christus (2 Korinthe 5:17);
  • te gebruiken door God in de bediening van verzoening (2 Korinthe 5:18-19);
  • een kind van God en één in Christus (Galaten 3:26,28);
  • een erfgenaam van God aangezien je een zoon van God bent (Galaten 4:6-7);
  • een heilige (Efeze 1:1; 1 Korinthe 1:2; Filippenzen 1:1; Kolossenzen 1:2);
  • Gods meesterwerk, gemaakt tot goede werken (Efeze 2:10);
  • een medeburger van de heiligen en huisgenoot van God (Efeze 2:19);
  • een gevangene van Christus (Efeze 3:1; Efeze 4:1);
  • rechtvaardig en heilig (Efeze 4:24);
  • een hemelburger, in de hemelse gewesten gezet (Filippenzen 3:20; Efeze 2:6);
  • met Christus verborgen in God (Kolossenzen 3:3);
  • een uitdrukking van de liefde van Christus omdat Hij jouw leven is (Kolossenzen 3:4);
  • gekozen door God, heilig en geliefd (Kolossenzen 3:12; 1 Thessalonicenzen 1:4);
  • een kind van het licht en niet van de duisternis (1 Thessalonicenzen 5:5);
  • deelgenoot van de hemelse roeping (Hebreeën 3:1);
  • deel gekregen aan Christus, je deelt in Zijn leven (Hebreeën 3:14);
  • als levende steen, gebouwd tot een geestelijk huis (1 Petrus 2:5);
  • een lid van een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God zich tot zijn eigendom maakte (1 Petrus 2:9-10);
  • een bijwoner en vreemdeling in deze wereld waarin je tijdelijk leeft (1 Petrus 2:11);
  • een vijand van de duivel (1 Petrus 5:8);
  • een kind van God die Hem gelijk zal zijn wanneer Hij terugkomt (1 Johannes 3:1-2);
  • geboren uit God en de boze heeft geen vat op jou (1 Johannes 5:18);
  • niet de grote ‘Ik ben’, maar door Gods genade ben je wie je bent (Exodus 3:14; Johannes 8:24,28,58, 1 Korinthe 15:10).